De diepe wonden van een tragisch verleden

Begin deze maand publiceerde Historiek mijn artikel over herinneringen. Een deel hiervan heb ik ook voor mijn overweging bij de presentatie en boekhandels gebruikt. Hierbij de link.

Geen schrijver hoeft zich ooit zorgen te maken over een lege bladzijde: het enige wat je nodig hebt, is een bron van herinneringen. We doen een beroep op dezelfde inspiratie die onze voorouders hadden toen zij onder de sterrenhemel bij een kampvuur verhalen vertelden. Herinneringen zijn je identiteit. Zonder herinneringen zit je gevangen tussen je verleden en je toekomst. Socrates zei dat de ziel alle kennis bewaart en dat het slechts een kwestie van zich herinneren is. Dat vind ik mooi gezegd. Her-inneren is het her-beleven van iets uit het ínnerlijk. Of, zoals Erik Kandel, de Nobelprijswinnaar voor de moleculaire grondslag van herinneringen uitlegt: leren is hoe je nieuwe informatie over de wereld verkrijgt, herinneren is hoe je dat opslaat.

Het belang van herinneringen vormt de rode draad in mijn roman Onder de Vlinderboom. Er zijn twee verhaallijnen: enerzijds gaat het over tienjarige Clara en haar tweelingbroertje Tony. Zij belanden in een kamp tijdens de Boerenoorlog. Anderzijds gaat het over Iris, een wetenschapper die onderzoek doet naar de gevolgen van de in de 1944-Hongerwinter verwekte kinderen.

Toen ik begon met het schrijven van Onder de vlinderboom, stuitte ik op Het Hongerwinteronderzoek van Professor Roseboom. De vraag van het onderzoeksteam was welke externe factoren de ‘leesbaarheid’ van de genen van een ongeboren kind beïnvloedden. Voor dit Hongerwinter-project had het onderzoeksteam toegang tot data van meer dan tweeduizend vrouwen. Zij waren in een ziekenhuis in Amsterdam bevallen tussen eind 1943 tot begin van 1947. Naast deze groep van kinderen gebruikten ze een controlegroep van voor en na die winter, waarmee ze de resultaten konden vergelijken. De conclusie was dat kinderen geboren uit zwangere vrouwen in de Hongerwinter van 1944 als volwassenen meer vatbaar waren voor diabetes, depressie en hartziekten.

Net als Iris, de hoofdpersoon van mijn tweede verhaallijn, was voor mij het bestuderen van epigenetica als het ontcijferen van de taal van het leven: ik had een van de sleutels om het mysterie van het leven te onthullen in mijn handen. Ik was volkomen geïntrigeerd door hoe patronen uit het verleden zich in de toekomst kunnen herhalen. In hoeverre ervaringen en vroege gebeurtenissen uit het verleden je genen kunnen beïnvloeden, zonder het DNA te veranderen: je erft niet alleen je grootmoeders neus, maar ook haar aanleg voor depressie of haar avontuurlijke geest. Haar angsten en haar veerkracht: epigenetica.

Ik denk dat de taak van een romanschrijver is om indrukken op te dweilen en ze uit te wringen tot een verhaal. Er zijn momenten geweest bij het schrijven dat ik het gevoel had dat ik precies deze woorden al geschreven had, maar ik weet dat dat niet zo is. Het zijn woorden van andere vrouwen die hun dagboeken in de Boerenoorlog van 1900 nauwkeurig hebben bijgehouden. Misschien opdat ik ze eens, op een dag, zou kunnen gebruiken. Neem ons in je verhaal mee, leken ze te zeggen. Ik schreef eigenlijk wat zíj schreven: dat herinnering fragiel is en de tijd van een leven kort en dat we soms niet de kans krijgen om een verband tussen gebeurtenissen te zien.

 

 

 

 

https://historiek.net/het-verhaal-van-de-herinnering/76304/

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *