Radio interview met Chris Vemer Radio Rijnmond

Bij Chris Vemer van het programma Chris Natuurlijk te gast op zatermorgen. Haar programma gaat over groen, natuur en cultuur met daarin iedere week aandacht voor boeken en schrijvers. En deze zaterdag had ik een leuk (life!) gesprek met haar.


Wil je het beluisteren dan vind je hier het fragment:

http://www.rijnmond.nl/nieuws/151937/Rotterdams-weeshuis-leverde-bruiden-voor-kolonisten

Twee fans gingen mee:

Wat bewoog een weesmeisje in de 17e eeuw naar Zuid-Afrika te vertrekken?

Voor Greyunlimited schreef ik een artikel over Het suikervogeltje. Hierbij de link als je het leuk vindt om dat te lezen: http://www.greyunlimited.nl/suikervogeltje/

Het is november 1687. Het is koud. Een kar hobbelt langs, een hond blaft in de verte, de klok luidt. Het zeventienjarige weesmeisje Ariaan krijgt een aanbod om op uitnodiging van de VOC naar Zuid-Afrika te verhuizen. Ze vraagt zich af wat haar te wachten staat, ze gelooft in galjoenen, zeemeerminnen en eenhoorns. Waarom ging ze? Ik heb hier veel tijdens het schrijven over nagedacht. Het was een onzeker avontuur waar zij zich in stortte. Maar ik denk dat Ariaan ook begreep wat voor kansen deze stap haar bood. Het was een mogelijkheid om zichzelf te herdefiniëren. In mijn boek begrijpt Ariaan het woord vooruitzicht. Ze begrijpt het moderne adagium als-je-een-kans-ziet-moet-je-die-met-beide-handen-grijpen. Het was een stap uit haar comfort-zone, maar ze durfde het risico te nemen. Ze verliet het Rotterdam van Erasmus, op weg naar het Zuiden, naar de zon, de struisvogelveren en de beloften van een volkomen ander bestaan. Alleen al om als jong meisje in het diepe te springen en de keuze te maken om in zo’n ver onbekend oord iets nieuws op te bouwen, vind ik bewonderenswaardig.

Onderzoek en verbeelding

Het suikervogeltje gaat over een meisje, een jonge vrouw eigenlijk die na een tocht vol beproevingen aan een nieuw leven begint. Ze is een echte pionier. De eerste vrouw die op deze manier uit Holland naar de Kaap vertrekt, de eerste die een eigen handel in kruiden begint. Veel onderzoek heb ik gedaan naar haar levensstijl en gewoonten, maar ook naar de geschiedenis van Zuid-Afrika in die tijd om haar leven in een context te kunnen plaatsen. Er is veel bekend: genealogische verslagen, stukken uit het archief, krantenknipsels en boeken. Oude schilderijen en landkaarten heb ik kunnen bestuderen, zelfs recepten heb ik opgezocht en nagemaakt. En ik heb de voetsporen gevolgd van waar Ariaan haar eerste stap aan wal zette, naar het Kasteel, naar de landhuizen en naar de Paardeberg, waar ze ging wonen, toen een afgelegen gebied. Zoals Isabel Allende zei, de werkelijkheid is niet alleen wat we aan de oppervlakte zien; het heeft ook een magische dimensie en als we willen, is het gerechtvaardigd om het in te kleuren. Dat heb ik gedaan met alle informatie: ik heb Ariaans leven ingekleurd. De schets was er al.

Haar eerste indrukken?

De scheepskist waar ze haar naam in gegraveerd heeft, wordt door iemand op z’n hoofd balancerend aan land gedragen. Ze heeft de mooiste kleren aan, met witte strepen van het wassen in zout water. De wind waait om haar oren en door haar haren. Daar, de Tafelberg, met het grote witte wolkenkleed gedekt. Bergpieken die tot de hemel rijken, zo anders dan het platte vlakke land waar ze vandaan komt. De geuren: zout, een penetrante geur van vis, die te lang in de zon te drogen heeft gelegen, iets kruidigs dat ze niet helemaal kan thuisbrengen…een beetje geïntimideerd door de wind, de mensen, de insecten en altijd die berg, die zo vierkant en onverzettelijk lijkt: dat zijn haar eerste indrukken.

Hendrik Biebouw en het vergane schip de Zuytdorp

Zuid-Afrika staat deze maanden volop in de belangstelling: het Rijksmuseum opent een tentoonstelling Goede Hoop? Zuid-Afrika en Nederland vanaf 1600 en in het West-Fries museum in Hoorn is een foto-tentoonstelling Uitgestoten nazaten van de compagnie. Over het laatste schreef Dirk Vlasblom een indrukwekkend artikel, wat ik met veel belangstelling heb gelezen. https://www.nrc.nl/nieuws/2017/01/13/uitgestoten-nazaten-van-de-compagnie-6159967-a1541177 . Net als in dit artikel wordt van de zoon van Willemijn, een van de karakters in mijn boek, vermoed dat hij een genetische ziekte in Australië heeft geïntroduceerd. Hij is een bekende Afrikaner in de geschiedenis geworden, Hendrik Biebouw. Hij wordt als de vader van de Afrikaners beschouwd door zijn uitspraak: ‘Ik ben een Afrikaner’. Of hij ook een overlevende van het vergane VOC-schip ‘Zuytdorp’ zou zijn? Het wordt door sommigen verondersteld, maar bewezen is het niet dat hij in Australië is gestrand. Het schilderij is van Adriaan de Jong (http://www.vochistory.org.au/zuytdorp.html)

De arts Geoffrey Dean was gefascineerd door de erfelijkheidsleer en bestudeerde de verspreiding van een genetische aandoening in een bepaalde omgeving. Bij zijn onderzoek werd duidelijk dat de tot dan toe onbekende porfyrie vooral in bepaalde bevolkingsgroepen voorkwam. Dean traceerde de stammoeders van dit afwijkend gen: Ariaan, haar zusje Willemijn, en haar neef Hendrik hebben de aandoening geërfd.

Toch heeft onderzoek niet uitgewezen dat de porfyrie-tak die onder de lokale Australische bevolking heerst, dezelfde is als die van Hendrik en zijn familie. Ook is niet bewezen dat Hendrik op de ‘Zuytdorp’ was meegevaren.

 

In mijn boek eindig ik met de uitspraak van Hendrik en de gevolgen van het incident, maar de veronderstellingen over zijn laatste lotgevallen, heb ik achterwege gelaten. Ik koos ervoor om vanuit het perspectief van Ariaan te vertellen en de zoon van haar zuster speelt hierbij slechts zijdelings een rol. Of Hendrik misschien een schipbreuk zou hebben overleefd, heeft zij niet geweten. Van de schermutseling waarbij Hendrik de bekende woorden uitsprak wel. Ieder leven is interessant. Ik heb geprobeerd alleen de schets van Ariaan en haar zuster Willemijn in te kleuren en Hendrik als neef en kind speelt daar natuurlijk een belangrijke zijdelingse rol bij.

Correcties en kaft: een mooi proces

Correcties en kaft: een mooi proces

De afgelopen maand is alles in sneltreinvaart gegaan. Eerst de correcties, daarna de kaft. En dat betekende twee nieuwe mensen in mijn leven. De auteur Peter Dicker heeft met ontzettend veel geduld de tekst grondig op fouten nageplozen. Zijn compliment deed mij veel goed. Hij schreef: ‘Het was een groot plezier je boek te lezen; in sommige delen werd ik helemaal meegezogen. Bij de episode van Azinza en Klaas moest ik denken aan de beklemmende sfeer van Coetzee’s Disgrace. Veel lezers zullen bovendien opkijken van het beleid van de VOC om De Kaap op deze wijze van ‘vers’ kolonistenbloed te voorzien. Heel opmerkelijk.’

Bij het ontwerp van de kaft heb ik goed kunnen samenwerken met Bert Hanekamp. Zoveel ideeën passeerden de revue. Ik wist dat ik iets van Zuid-Afrika wilde en ik zocht naar een meisje met een zeventiende eeuw-se gezichtje. Het meisje van Verspronck hangt in het Rijksmuseum (portret van een meisje in het blauw). Mijn oudste dochter Eline gaf vorm aan mijn beeld met dit voorbeeld links en na een aantal verschillende versies, is hier onderaan het resultaat. Een kaft is een visitekaartje: het moet uitnodigen om kennis te maken met het boek. De kleuren zijn belangrijk. De grijs-groene tinten geven aan dat het om een historische roman gaat. Ik hoop dat de afbeelding nieuws-gierig maakt. Dat de Tafelberg herkend wordt en het meisje verwondering opwekt. Ik hoop ook dat Ariaan, de hoofdpersoon in mijn roman, dezelfde karaktereigenschappen oproept als dit meisje dat in 1641 werd geschilderd: ze heeft iets dromerigs en oprechts, maar ook iets ontwapenends. De suikervogeltjes staan symbool voor het exotische en voor de drang naar vrijheid. De titel moet tot de verbeelding spreken. Ik schrijf dat Ariaan zich ten doel stelt om het vogeltje te vinden dat ze opgezet in een atelier heeft gezien. Als ze dat vogeltje zal treffen, zal het haar eraan herinneren dat ze een goede keuze heeft gemaakt. Ik vind het mooi dat het schilderij doorloopt naar de achterflap. Daar zie je dat het eigenlijk een spiegelbeeld is van het schilderij van William Hodges, honderd jaar later geschilderd. Het stadje moet minder groot zijn geweest toen Ariaan voor het eerst Kaap de Goede Hoop zag. Op de achterflap heb ik uitgelegd waar mijn boek over gaat. Er staat in woorden, wat ik met de afbeelding op de voorkant probeer te zeggen: Dat een weesmeisje op uitnodiging van de VOC naar een onbekend continent vaart. Ik hoop dat de kaft inspireert om mijn roman te lezen.

How many drafts until it’s finished?

‘Art is never finished, only abandoned,’ said Leonardo da Vinci. Today I sent my final draft to the publisher. Does it mean I’m finished? I have learned that my work will never be completely done, but there comes a time when I have to let go and let it fly. I don’t think it will ever be perfect, but I know I have given it wings and hope it will soar. My final draft is my seventh. I will tell you how I’ve worked on this novel.

I had an idea for my second book and never realised how much research can stimulate imagination. But it can also distract from writing. I wrote my first draft quickly. The book was part of a two book deal and I had to finish in a year.

After the first draft, I printed out the manuscript and scribbled notes in the margins. I cut out every descriptive adjective and then put a few back again. I took out almost all adverbs and weak words like ‘very’.

I rewrote the novel and sent my second draft to my first readers, my parents-in-law. I was ready for criticism. Their assessment was helpful and insightful and I never felt offended. Because they were linguists, they focussed on the grammar and word choice. I took their remarks to heart and repeated the process of rewriting.

I sent my third draft to another reader who concentrated more on the content. Did the story flow? Did each character have their own personality? Could the reader identify with the character? Did I answer each question?

With the reader’s feedback, I realized there were a few shortcomings in my story. For example, if I read a part and skipped it, it was probably not good. What helped me then was to read the manuscript aloud to myself. I revised a few things and sent my fourth draft off. But my book was shelved and I started writing a new novel.

After a few years, I took out the manuscript again. Now it had time to gestate and I could see the flaws immediately: sometimes, especially if I found an interesting fact in my research, I wanted to share that in my story. Some parts read like history lessons; I made the mistake of telling and not showing. I learned that I needed to write things down to get it out of my system and to delete it afterwards. I had around 88.000 words, it went up to over 90.000 and now I have 88.000 words again.

My fifth draft was read by a reader with a critical eye. The emphasis this time was on consistency and flow. My publisher read the sixth draft and it required some final changes.  After the last revision, I did a spellcheck and tried to take out all the typos of the seventh draft.

Many writers have several drafts. I read in JM Coetzee and the Life of Writing (David Attwell), that some of Coetzee’s novels sometimes developed through more than 15 drafts. Oscar Wilde’s famous comma-note, struck a core, ‘I spent all morning taking out a comma and all afternoon in putting it back,’ and I knew I was ready with my final draft.

What inspires me to write?

Have I always wanted to be a writer? What inspired me to write, was that I love to read and I love what happens to you when you read. That feeling of living in the world of what you’re reading and at the same time in your own. Paul Auster once said that a book is ‘the only place in the world where two strangers can meet, on very intimate terms.’

I plot before I start, but I am also an instinctive writer, making decisions as I write along. It takes time and a lot of love to find the words that can move a reader, and I am still polishing my skills. I learned one important lesson: to be a writer you must write. You learn how to write by writing. It requires determination. Amanda Patterson gave me the best writing advice. She told me that a page a day is 365 pages a year. I kept that in mind when I started to write. It took me about two years to finish my first novel of 280 pages. The blank screen on my computer could be intimidating, but I just filled it with words, knowing I could fix it later. It worked!

Another advice someone else gave me was that if the ideas overwhelm you, just sit on them; they will either grow on you or they will have lost their appeal and they will no longer worry you.

708731_5fbe3e537a584ba69c7332939c3c9d52mv2I work in the mornings and read in the afternoons. So generally, I write and do research a few hours in the morning. The afternoons I read: poetry, history, literature; whatever is available at my local library or from the Internet or what’s going around in book clubs. I hardly watch TV but often go to the movies. I also do book reviews and learn from other writers. Since I write, I am a more attentive reader, paying more attention to the writer’s craft and seeing the magic when something moves me.

Where do I get my ideas? Ideas are everywhere, floating around everyone all the time. I don’t get ideas; they come to me! From imagining. From making things up. From dreaming and daydreaming. From eavesdropping on snippets of conversations. From asking ‘what ifs’, from researching and searching: I am always looking for the magical images. Always trying to find a story in what I see or experience. It can be in a painting or in music, it can be in the way a dancer moves or a girl places a strand of hair behind her ears. It can be in the car, in the shop, in the newspaper or in a book that I am reading. Isabel Allende said it so beautifully, ‘I seek truth and beauty in the transparency of an autumn leaf, in the perfect form of a seashell on the beach, in the curve of a woman’s back, in the texture of an ancient tree trunk, but also in the elusive forms of reality’. (Portrait in Sepia) That’s what inspired me to write.

Writing is imagining

My first blog. I’m so excited to take you for a ride.
708731_fe83a83006a64f209fb14d3a11c2b8c9mv2Let me tell you why and what I write. A big part of my life has always been about
reading and writing. I read books to nourish my imagination. As a child, I devoured books. Stories, taking you away to different spaces and if you were lucky making you soar. I remember the first time, I must have been six or seven, when a story brought a lump to my throat: listening to my mother reading Andersen’s fairy tale to me; my heart ached when the prince did not recognise the mermaid who rescued him. I flew with Jonathan Livingston Seagull and swooned with the sisters of Little Women. Anne of Green Gables was
also a favourite and Enid Blyton’s Famous Five… Since those early days, I read as often and as much as I can.

708731_e7ec45f5c88d476d85010f68b6d30904mv2Writing to me is a like acting, dreaming, or travelling: you visit places in your mind or in person, and emerge richer and wiser from these experiences. Writing is imagining what it feels like in the soul of another person.

In 1990, I drove with my love Michael, each in an old Peugeot, from The Hague through the Sahara to Niger. It planted a seed in my mind, to write about a woman daring to venture where no man had been, a hundred years ago. In Alexine, first published in 2010, I sketched a portrait of nineteenth century adventurer Alexine Tinne, who crossed the Sahara on camels, bringing along her dog, her wrought iron bed, boxes full of fine china and cases filled with books.

In my new book, Het Suikervogeltje, coming out in March 2017, I want to show the Dutch people in the 17th century Cape, the first Afrikaners, not only with negative associations of dominance and racism, but also as heroic figures: risk takers, creative, daring, driven and faced by challenges. The story is about a Dutch orphan girl arriving in South Africa.

My third novel, Under the Lucky Bean Tree, deals with the role of Epigenetics in two generations in South Africa, during the Anglo Boer War and one hundred years later: how the circumstances in which parents and the previous generations live can have an effect on the genes of their offspring.

Socrates said that all knowledge is possessed by the soul and it’s just a matter of remembering it. My passion is to bring back to life long forgotten people, using fragrances, colours and sounds. To breathe back life of ordinary people into the skeleton of recorded events (Andrea Levy). I want to make history accessible. I want to stir the soul and I hope that one day someone feels a connection to the story and has been touched by what I have written.